Volgens artikel 32 van de Verordening Accountantsorganisaties dient een accountantsorganisatie de klokkenluidersregeling op de website te plaatsen. RDR Accountants hecht er waarde aan dat medewerkers en personen van buiten de organisatie de mogelijkheid hebben om zonder gevaar voor hun rechtspositie vermeende onregelmatigheden binnen of (mede) buiten onze accountantsorganisatie aan de orde kunnen stellen.

Artikel 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:

  • betrokkene: degene die, al dan niet op basis van een arbeidsovereenkomst, werkzaam is ten behoeve van RDR Accountants, hieronder begrepen bestuurders, uitzendkrachten, gedetacheerden en stagiaires, alsmede een natuurlijk persoon of rechtspersoon niet zijnde RDR Accountants of één van haar medewerkers;
  • externe derde: een externe derde als bedoeld in artikel 7 lid 1;
  • raadsman: degene als bedoeld in artikel 5;
  • verantwoordelijke: de algemeen directeur of een door hem aangewezen functionaris. Indien van de mogelijkheid gebruik wordt gemaakt een functionaris aan te wijzen, dan zal deze functionaris minimaal maandelijks en als de aard van de misstand hiertoe aanleiding geeft rechtstreeks rapporteren aan de algemeen directeur. In het geval betrokkene bestuurder is van de onderneming, geldt de voorzitter van de raad van commissarissen als verantwoordelijke;
  • de vertrouwenspersoon: degene die is aangewezen om als zodanig voor de organisatie van de werkgever te fungeren;
  • een vermoeden van een misstand: een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden met betrekking tot de organisatie waar betrokkene werkzaam is en waarbij een maatschappelijk belang in het geding is, in verband met:
            a. een (dreigend) strafbaar feit;
            b. een (dreigende) schending van regels;
            c. een gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu;
            d. een (dreiging van) bewust onjuist informeren van publieke organen;
            e. een (dreigende) verspilling van overheidsgeld; of
            f. (een dreiging van) het bewust achterhouden, vernietigen of manipuleren van informatie over deze feiten.

  • Artikel 2. Algemene bepalingen

        1. De onderhavige regeling is niet bedoeld voor persoonlijke klachten van betrokkenen.
        2. De betrokkene die een melding maakt van een vermoeden van een misstand handelt te goeder trouw.
        3. De betrokkene die een melding maakt van een vermoeden van een misstand handelt niet louter uit
          persoonlijk gewin.

    Artikel 3. Interne melding aan verantwoordelijke en/of vertrouwenspersoon

        1. Tenzij sprake is van een uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 6 lid 2, meldt betrokkene een vermoeden van een misstand intern bij de verantwoordelijke of indien hij melding aan een verantwoordelijke niet wenselijk acht bij de vertrouwenspersoon. Melding aan de vertrouwenspersoon kan ook plaatsvinden naast de melding aan een verantwoordelijke.
        2. De verantwoordelijke of de vertrouwenspersoon legt de melding, met de datum waarop deze ontvangen is, schriftelijk vast en laat die vastlegging voor akkoord tekenen door betrokkene, die daarvan een gewaarmerkt afschrift ontvangt. Indien betrokkene het vermoeden bij de vertrouwenspersoon heeft gemeld, brengt deze – op een met betrokkene overeengekomen wijze en tijdstip – eveneens de verantwoordelijke op de hoogte met vermelding van de datum waarop de melding ontvangen is.
        3. Onverwijld wordt een onderzoek naar aanleiding van de melding van een vermoeden van een misstand gestart.
        4. De verantwoordelijke stuurt een ontvangstbevestiging aan betrokkene die een vermoeden van een misstand heeft gemeld. In de ontvangstbevestiging wordt gerefereerd aan de oorspronkelijke melding. Dit geldt ook indien betrokkene het vermoeden niet heeft gemeld aan de verantwoordelijke maar aan de vertrouwenspersoon.
        5. De verantwoordelijke beoordeelt of een externe derde als bedoeld in artikel 7 lid 1 van de interne melding van een vermoeden van een misstand op de hoogte moet worden gebracht.

    Artikel 4. Standpunt

        1. Binnen een periode van acht weken vanaf het moment van de interne melding wordt betrokkene door of namens de verantwoordelijke schriftelijk op de hoogte gebracht van een inhoudelijk standpunt omtrent het gemeld vermoeden van een misstand. Daarbij wordt aangegeven tot welke stappen de melding heeft geleid.
        2. Indien het standpunt niet binnen acht weken kan worden gegeven, wordt betrokkene door of namens de verantwoordelijke hiervan in kennis gesteld en aangegeven binnen welke termijn hij een standpunt tegemoet kan zien.

    Artikel 5. Raadsman

          1. Betrokkene kan een vermoeden van een misstand melden bij een raadsman om hem in vertrouwen om raad te vragen.
          2. Als raadsman kan fungeren iedere persoon, die het vertrouwen van betrokkene geniet en op wie een geheimhoudingsplicht rust. 

        Artikel 6. Melding aan een externe derde

        1. Betrokkene kan het vermoeden van een misstand melden bij een externe derde als bedoeld in artikel 7 lid 1, met inachtneming van het in artikel 7 bepaalde, indien:
        1. hij het niet eens is met het standpunt als bedoeld in artikel 4;
        2. hij geen standpunt heeft ontvangen binnen de vereiste termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 4;
        3. de termijn, bedoeld in het tweede lid van artikel 3, gelet op alle omstandigheden onredelijk lang is en betrokkene hiertegen bezwaar heeft gemaakt bij de verantwoordelijke; of
        4. sprake is van een uitzonderingsgrond als bedoeld in het volgende lid.
        1. Een uitzonderingsgrond als bedoeld in het vorige lid onder d doet zich voor, indien sprake is van
        1. acuut gevaar, waarbij een zwaarwegend en spoedeisend maatschappelijk belang onmiddellijke externe melding noodzakelijk maakt;
        2. een situatie waarin betrokkene in redelijkheid kan vrezen voor tegenmaatregelen als gevolg van een interne melding;
        3. een duidelijke dreiging van verduistering of vernietiging van bewijsmateriaal;
        4. een eerdere interne melding conform de procedure van in wezen dezelfde misstand, die de misstand niet heeft weggenomen;
        5. een wettelijke plicht of bevoegdheid tot direct extern melden.

    Artikel 7. Externe derde

        1. Externe derde in de zin van deze regeling is iedere organisatie of vertegenwoordiger van een organisatie, niet zijnde de vertrouwenspersoon of een raadsman, aan wie betrokkene een vermoeden van een misstand meldt, omdat dat naar zijn redelijk oordeel van een zodanig groot maatschappelijk belang is dat dat belang in de concrete omstandigheden van het geval zwaarder moet wegen dan het belang van de werkgever bij geheimhouding, en die naar zijn redelijk oordeel in staat mag worden geacht direct of indirect de vermoede misstand op te kunnen heffen of te doen heffen.
        2. Met inachtneming van het in lid 3 bepaalde, kan betrokkene bij een externe derde als bedoeld in het vorige lid een vermoeden van een misstand melden, indien sprake is van één van de in artikel 6 genoemde gevallen.
        3. De melding vindt plaats aan de externe derde die daarvoor naar het redelijk oordeel van betrokkene gelet op de omstandigheden van het geval het meest in aanmerking komt, waarbij betrokkene enerzijds rekening houdt met de effectiviteit waarmee die derde kan ingrijpen en anderzijds met het belang van de werkgever bij een zo gering mogelijke schade als gevolg van dat ingrijpen, voor zover die schade niet noodzakelijkerwijs voortvloeit uit het optreden tegen de misstand.
        4. Naarmate de mogelijkheid van schade voor de werkgever als gevolg van de melding bij een externe derde groter wordt, dient het vermoeden van een misstand bij betrokkene, die bij een externe derde meldt, sterker te zijn. 

    Artikel 8. Rechtsbescherming en geheimhouding

        1. Betrokkene die met inachtneming van de bepalingen in deze regeling een vermoeden van een misstand heeft gemeld en die te goeder trouw is, wordt op geen enkele wijze in zijn positie benadeeld als gevolg van het melden.
        2. Een raadsman als bedoeld in artikel 5 of een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 1, die in dienst van de werkgever is, wordt op geen enkele wijze benadeeld als gevolg van het fungeren als zodanig krachtens deze regeling.
        3. De opzegging van de arbeidsovereenkomst van betrokkene die melding heeft gemaakt van een misstand wordt beschouwd als een kennelijk onredelijke opzegging in de zin van artikel 7:681 BW. Voor zover betrokkene niet op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam is, levert dit een toerekenbare tekortkoming als bedoeld in artikel 6:74 BW en/of een onrechtmatige daad als bedoeld in 6:162 BW jegens hem op. Het voorgaande is anders indien de werkgever aannemelijk kan maken dat de door hem voorgestane beëindiging geen verband houdt met de melding.
        4. Wanneer de betrokkene die een melding maakt deze rechtstreeks of via derden in de publiciteit brengt, kan dit hem worden aangerekend door RDR Accountants.